Waar vaders naartoe gaan

Gepubliceerd op 8 augustus 2026 om 09:00

Laatst wilde ik een plankje ophangen.

Niet iets ingewikkelds.

Gewoon een plankje.

Ik pakte de rolmaat uit de gereedschapskist.

Klik.

Dat geluid.

Meer was er niet nodig.

Ineens was hij er weer.

Mijn vader.

Het blijft me verbazen hoe weinig ervoor nodig is.

Een rolmaat.

Een hamer.

Een liedje op de radio.

Of ineens denken:

Zou ik veertig centimeter nodig hebben… of vijftig?

Vroeger wist ik precies wat ik dan deed.

Ik belde mijn vader.

Hij was niet iemand van lange gesprekken.

Als ik vroeg hoe iets moest, kreeg ik meestal een kort antwoord.

Praktisch.

Helder.

Probleem opgelost.

En daarna ging hij weer verder waar hij mee bezig was.

Alsof dat de normaalste zaak van de wereld was.

Misschien was dat ook wel zo.

Pas nu merk ik hoeveel van die gewone momenten eigenlijk helemaal niet gewoon waren.

Hij geloofde nergens in na de dood.

Geen hemel.

Geen hiernamaals.

Gewoon…

klaar.

Tenminste, dat zei hij altijd.

En toch zoek ik hem overal.

In gereedschap.

In cijfers die ineens opvallen.

In liedjes waarvan ik zeker weet dat hij stiekem meezong.

En soms…

in de spiegel.

Vooral als ik geen mascara op heb.

Dan zie ik ineens iets in mijn ogen.

Zijn blik.

Heel even lijkt het alsof hij naast me staat.

Niet om iets te zeggen.

Dat deed hij toch al niet zoveel.

Gewoon…

aanwezig.

Er zijn ook woorden die alleen nog in mijn hoofd bestaan.

“Man, man, man…”

Dat zei hij als iemand een veel te lang verhaal vertelde.

Of als iets onnodig ingewikkeld werd gemaakt.

Ik hoor het nog regelmatig.

Meestal precies op het moment dat ik zelf denk:

Man, man, man…

En dan moet ik lachen.

Niet hard.

Gewoon een klein lachje.

Alsof we het nog steeds samen zeggen.

Wat ik misschien nog wel het meeste mis, zijn de dingen waarvan ik vroeger niet wist dat ik ze later zou missen.

Dat hij even mijn arm vastpakte als we overstaken.

Ook toen ik allang volwassen was.

Dat hij zei:

“Kom op, kikkertje.”

Als ik verdrietig was.

Dat hij altijd wel even kwam kijken als iets stuk was.

Alsof hij er automatisch vanuit ging dat problemen opgelost konden worden.

En meestal had hij gelijk.

Soms vraag ik me af of hij ooit heeft geweten hoe groot hij voor mij was.

Of hij wist dat hij de rust was waar ik altijd op terugviel.

Dat hij nooit de man van grote woorden hoefde te zijn.

Omdat hij alles al zei met de dingen die hij deed.

Ik zoek hem nog steeds.

Vaker dan ik toegeef.

In muziek.

In herinneringen.

In gereedschap.

In mijn eigen ogen.

En langzaam begin ik te begrijpen dat ik hem daar waarschijnlijk ook altijd zal blijven vinden.

Misschien verdwijnen vaders niet echt.

Misschien verhuizen ze gewoon naar de kleine dingen.

Naar het geluid van een rolmaat.

Een vertrouwde uitdrukking.

Een blik in de spiegel.

En naar dat stemmetje in je hoofd dat nog steeds zegt:

“Kom op, kikkertje.”

Alsof ze nooit helemaal zijn weggegaan.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.