Bij ons thuis begon de vakantie nooit in de zomer.
Die begon ergens in oktober.
Mijn vader kwam dan thuis met een stapel reisgidsen over Spanje.
Costa Brava.
Costa Dorada.
Costa del Sol.
Hij legde ze op tafel alsof hij een schatkist had gevonden.
Avond na avond bladerden we erdoorheen.
We bekeken zwembaden die veel groter leken dan ze uiteindelijk waren.
Kamers met spierwitte lakens.
Palmbomen.
En ontbijtbuffetten waarvan ik zeker wist dat ze eindeloos moesten zijn.
Mijn vader sloeg de pagina’s rustig om.
“Deze heeft een mooi uitzicht.”
“Deze ligt dicht bij zee.”
En steevast zei iemand dat we misschien ook een appartement konden nemen.
Dan keek hij op.
“Nee.”
“We gaan niet zelf koken.”
“Je moeder is ook op vakantie.”
Alsof daar verder geen discussie over mogelijk was.
En eerlijk gezegd…
was die er ook nooit.
Terugkijkend denk ik dat mijn vader misschien nog wel meer genoot van het verlangen naar de vakantie dan van de vakantie zelf.
Hij maakte van het wachten al een feestje.
Maar het mooiste moment moest nog komen.
Altijd als hij thuis kwam van zijn laatste werkdag voor de vakantie kwam hij nooit zomaar binnen.
Hij bleef bij de voordeur staan.
Een paar tellen later ging de deurbel.
Wij deden open.
Daar stond hij.
Met een grote glimlach.
“Ik kan niet naar binnen,” zei hij.
“De vakantie staat voor de deur.”
En ineens…
was het zover.
School bestond even niet meer.
Werk ook niet.
De koffers stonden klaar.
En zelfs de lucht leek anders te ruiken.
Jaren later belde mijn zus me.
Gewoon zomaar.
Halverwege het gesprek zei ze:
“Ik kom mijn huis niet meer in.”
Ik schrok.
“Ben je je sleutels vergeten?”
Ze bleef even stil.
En toen hoorde ik haar lachen.
“Nee…”
“De vakantie staat voor de deur.”
Het was maar één zin.
Maar ineens stond hij daar weer.
Met dezelfde glimlach.
Voor dezelfde voordeur.
Alsof sommige mensen nooit echt verdwijnen.
Nog steeds, als ik mijn koffer pak, denk ik aan hem.
Niet omdat vakanties zonder hem minder mooi zijn.
Ze zijn alleen anders.
Bij een bijzonder uitzicht denk ik soms nog steeds:
Dit had je mooi gevonden.
En als ik een hotel binnenloop, hoor ik hem bijna zeggen:
“We gaan niet koken.”
“Je moeder is ook op vakantie.”
Nu ben ik de moeder en ook ik hou deze traditie graag in ere.
Grappig eigenlijk.
Hij liet geen verre reizen na.
Geen wereldkaart vol vlaggetjes.
Geen lijst met plekken die we nog moesten zien.
Hij liet iets veel kleiners achter.
Een stapel reisgidsen.
Een deurbel.
En één zin.
De vakantie staat voor de deur.
En iedere keer als ik op reis ga…
staat hij daar nog steeds een beetje.
Reactie plaatsen
Reacties